< Vorige pagina
Storingzoeker
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
volg bijgevoegd schema
Vervuilde of geblokkeerde verdamper:
1 Oplossing: Controleer of de verdamper schoon is. Reinig de verdamper indien nodig om de luchtstroom te verbeteren.
Onvoldoende luchtstroom door de verdamper:
2 Oplossing: Controleer de ventilator of luchtfilters. Vervang of reinig de filters als deze vuil zijn, en controleer of de
ventilator correct functioneert.
Overvulling van het koudemiddel:
3 Oplossing: Laat een specialist de hoeveelheid koudemiddel controleren en indien nodig afstellen.
Verkeerde instellingen van de thermostaat of regeling:
4 oplossing: Controleer de instellingen van de thermostaat of het regelsysteem. Pas de instellingen aan indien ze niet
correct
zijn ingesteld voor het gewenste temperatuurbereik.
Beperking in het koudemiddelcircuit:
5 Oplossing: Controleer op blokkades in het koudemiddelcircuit, zoals een verstopping in het expansieventiel. Dit kan leiden
tot onjuiste drukverhoudingen.
Slechte warmteoverdracht:
6 Oplossing: Zorg ervoor dat er voldoende vloeistofcirculatie is in het systeem (bijvoorbeeld bij gesloten of openbronnen) en
controleer of de condensor correct werkt.
1 Oplossing: Controleer of de verdamper schoon is. Reinig de verdamper indien nodig om de luchtstroom te verbeteren.
Onvoldoende luchtstroom door de verdamper:
2 Oplossing: Controleer de ventilator of luchtfilters. Vervang of reinig de filters als deze vuil zijn, en controleer of de
ventilator correct functioneert.
Overvulling van het koudemiddel:
3 Oplossing: Laat een specialist de hoeveelheid koudemiddel controleren en indien nodig afstellen.
Verkeerde instellingen van de thermostaat of regeling:
4 oplossing: Controleer de instellingen van de thermostaat of het regelsysteem. Pas de instellingen aan indien ze niet
correct
zijn ingesteld voor het gewenste temperatuurbereik.
Beperking in het koudemiddelcircuit:
5 Oplossing: Controleer op blokkades in het koudemiddelcircuit, zoals een verstopping in het expansieventiel. Dit kan leiden
tot onjuiste drukverhoudingen.
Slechte warmteoverdracht:
6 Oplossing: Zorg ervoor dat er voldoende vloeistofcirculatie is in het systeem (bijvoorbeeld bij gesloten of openbronnen) en
controleer of de condensor correct werkt.
1 Onvoldoende warmtevraag (lage belasting):
2 Oplossing: Controleer of het verwarmingssysteem voldoende warmtevraag heeft. Wanneer de warmtevraag te laag is, kan
dit de condensatietemperatuur verlagen. Zorg ervoor dat alle verwarmingscircuits correct functioneren.
Vervuilde condensor:
3 Oplossing: Controleer de condensor op vervuiling of verstoppingen. Reinig de condensor indien nodig om de warmteafgifte
te verbeteren.
Onvoldoende lucht- of waterstroom door de condensor:
4 Oplossing: Controleer de lucht- of waterstroom door de condensor. Controleer ventilatoren, waterpompen of filters en
zorg ervoor dat ze naar behoren werken. Reinig of vervang filters indien nodig.
Tekort aan koudemiddel:
5 Oplossing: Laat een specialist controleren of het koudemiddelpeil voldoende is. Als er sprake is van een koudemiddellek of
een tekort, moet het systeem worden bijgevuld of gerepareerd.
Verkeerde instellingen van de regeling:
6 Oplossing: Controleer de instellingen van het regelsysteem. Foutieve instellingen kunnen ervoor zorgen dat de
warmtepomp niet optimaal werkt en de condensatietemperatuur te laag is.
Buitencondities:
7 Oplossing: Bij lage buitentemperaturen kan de condensatietemperatuur van nature lager zijn. Controleer of het systeem is
aangepast aan de huidige buitenomstandigheden.
2 Oplossing: Controleer of het verwarmingssysteem voldoende warmtevraag heeft. Wanneer de warmtevraag te laag is, kan
dit de condensatietemperatuur verlagen. Zorg ervoor dat alle verwarmingscircuits correct functioneren.
Vervuilde condensor:
3 Oplossing: Controleer de condensor op vervuiling of verstoppingen. Reinig de condensor indien nodig om de warmteafgifte
te verbeteren.
Onvoldoende lucht- of waterstroom door de condensor:
4 Oplossing: Controleer de lucht- of waterstroom door de condensor. Controleer ventilatoren, waterpompen of filters en
zorg ervoor dat ze naar behoren werken. Reinig of vervang filters indien nodig.
Tekort aan koudemiddel:
5 Oplossing: Laat een specialist controleren of het koudemiddelpeil voldoende is. Als er sprake is van een koudemiddellek of
een tekort, moet het systeem worden bijgevuld of gerepareerd.
Verkeerde instellingen van de regeling:
6 Oplossing: Controleer de instellingen van het regelsysteem. Foutieve instellingen kunnen ervoor zorgen dat de
warmtepomp niet optimaal werkt en de condensatietemperatuur te laag is.
Buitencondities:
7 Oplossing: Bij lage buitentemperaturen kan de condensatietemperatuur van nature lager zijn. Controleer of het systeem is
aangepast aan de huidige buitenomstandigheden.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Ook bekend als: #50, alarm 50, storing 50, error 50
1. Betekenis van de storing
Wat betekent deze storing?
De inverter heeft een storing vastgesteld en de compressor uitgeschakeld of niet vrijgegeven. De inverter regelt onder andere de compressorfrequentie, de voedingsspanning naar de compressor, de compressorstart, de stroom door de compressor en de bewaking van elektrische en thermische bedrijfsgrenzen. Storing 50 geeft niet zelfstandig aan welk onderdeel defect is: de aanvullende invertercode in de alarmhistorie is nodig om de eigenlijke oorzaak vast te stellen.
Wanneer wordt hij gegenereerd?
Storing 50 kan ontstaan direct bij het inschakelen van de machine, bij het starten van de compressor, tijdens stabiel bedrijf of specifiek bij hoog compressorvermogen. De regeling toont bij het alarm aanvullende gegevens (I1 t/m I11 en P12). De betekenis van deze waarden verschilt per invertertype, compressor, warmtepompmodel en softwareversie.
2. Mogelijke oorzaken
Voedingsspanningsprobleem
Ontbrekende fase, onder- of overspanning, losse aansluitklemmen of een defecte zekering/automaat, vooral merkbaar bij het inschakelen of tijdens de compressorstart.
Communicatiestoring tussen regelaar en inverter
Kabelbreuk, beschadigde connectoren, vocht/corrosie, verkeerd communicatieadres of verkeerde configuratie.
Onvoldoende koeling van de inverter
Vervuilde ventilatieopeningen, defecte koelventilator of onvoldoende koelwater-/glycolflow, vaak bij warm weer of hoge compressorfrequentie.
Compressor elektrisch of mechanisch te zwaar belast
Hoge persdruk, lage zuigdruk, hoge persgastemperatuur of te hoge aanloopstroom, vaak samen met storing 40, 41, 42, 45 of 46.
Defecte compressor of compressorbekabeling
Beschadigde isolatie, kortsluiting tussen windingen, aardlek of mechanische blokkering van de compressor.
Losse of oververhitte elektrische aansluitingen onder belasting
Verkleurde of gesmolten connectoren, onvoldoende kabeldoorsnede, warmteontwikkeling in hoofdschakelaar of automaat.
Onjuiste inverterconfiguratie
Configuratie komt niet overeen met warmtepompmodel, compressorvermogen of softwareversie, bijvoorbeeld na vervanging van inverter of regelprint.
Intern hardwaredefect van de inverter
Interne inverterstoring die niet aan externe voeding, koeling of compressor is te herleiden.
3. Voorbereiding
Benodigd gereedschap
☐ Multimeter voor spannings- en stroommeting
☐ Isolatieweerstandmeter (megger), uitsluitend te gebruiken door een bevoegde monteur
☐ Camera of telefoon om het alarmscherm te fotograferen vóór reset
☐ Toegang tot het servicemenu (Alarm History / Alarm log)
☐ Persoonlijke beschermingsmiddelen
Veiligheid
⚠ Let op
In een inverter kunnen ook na het uitschakelen gevaarlijke spanningen aanwezig blijven. Open of meet de inverter uitsluitend volgens de voorgeschreven veiligheidsprocedure en laat elektrische werkzaamheden uitvoeren door een bevoegde monteur. Schakel de hoofdvoeding uit en volg de voorgeschreven wachttijd voordat je aan de inverteruitgang of compressor werkt. Voer geen isolatiemeting uit terwijl de compressor nog met de inverter verbonden is.
4. Diagnosestappen
Stap 1 — Alarmhistorie vastleggen
Ga naar Alarm History en open storing 50. Noteer of fotografeer de aanwezige waarden voordat je de storing reset.
Zijn alle invertercodes en gegevens genoteerd (of gefotografeerd) vóórdat je reset?
🟩 JA → Ga verder naar stap 2 (voedingsspanning).
🟫 NEE → Leg deze eerst vast.
Stap 2 — Voedingsspanning controleren
Meet de voedingsspanning op de ingang van de inverter en controleer of alle benodigde fasen aanwezig zijn.
Bij een ED3-inverter is bij aanwezige voeding een status-LED zichtbaar.
Is de voedingsspanning in rust, tijdens starten en tijdens bedrijf binnen de toegestane grenzen, met alle fasen aanwezig?
🟩 JA → Controleer bij een ED3 of de status-LED brandt. Ga daarna naar stap 3.
🟫 NEE → Controleer zekeringen, automaat, bekabeling en aansluitingen en herstel de voedingsspanning.
⚠ Let op
Is de voedingsspanning bij een ED3 correct, maar brandt de status-LED niet? Dan kan de inverter defect zijn.
Stap 3 — Communicatie met de inverter controleren
Controleer in het informatiemenu of actuele inverterwaarden worden weergegeven.
Zijn de inverterwaarden zichtbaar?
🟩 JA → Ga verder naar stap 4 (koeling).
🟫 NEE → Controleer de communicatiekabel, stekkers en voeding van de inverter.
Stap 4 — Temperatuur en koeling van de inverter controleren
Controleer de invertertemperatuur en controleer of de koeling van de inverter correct functioneert.
Servicemenu --> informatie --> Compressor 2
Is de invertertemperatuur normaal?
🟩 JA → Ga verder naar stap 5
🟫 NEE → Controleer en herstel de koeling van de inverter.
Stap 5 — Compressorbelasting controleren
Controleer of vlak vóór of gelijktijdig met storing 50 andere compressor- of koudemiddelstoringen zijn ontstaan, bijvoorbeeld storing 40, 41, 42, 45 of 46.
Zijn er geen andere relevante storingen actief?
🟩 JA → Ga verder naar stap 6 (compressor en bekabeling).
🟫 NEE → Los eerst deze storing op en controleer daarna opnieuw.
Stap 6 — Compressor en compressorbekabeling controleren
Schakel de hoofdvoeding uit en wacht de voorgeschreven tijd voordat je de compressor losneemt.
Controleer de compressorbekabeling en meet de wikkelings- en isolatieweerstand van de compressor.
Zijn de bekabeling en metingen in orde?
🟩 JA → Ga verder naar stap 7
🟫 NEE → Herstel de bekabeling of controleer de compressor verder.
⚠ Let op
Voer geen isolatiemeting uit terwijl de compressor nog op de inverter is aangesloten.
Stap 7 — Elektrische aansluitingen onder belasting controleren
Controleer de aansluitingen op losse klemmen, verkleuring, beschadiging of warmteontwikkeling.
Zijn alle aansluitingen in orde?
Blijven de aansluitingen ook onder belasting vrij van losse verbindingen, verkleuring of warmteontwikkeling?
🟩 JA → Ga verder naar stap 8 (inverterconfiguratie).
🟫 NEE → Herstel de aansluiting en draai deze vast met het voorgeschreven aanhaalmoment
Stap 8 — Inverterconfiguratie controleren
Controleer of de ingestelde warmtepompmodelovereenkomt met het type warmtepomp.
Is de configuratie correct?
🟩 JA → Ga verder naar stap 9
🟫 NEE →Corrigeer de configuratie volgens de gegevens van de betreffende machine.
Stap 9 — Invertercode beoordelen
Bij storing 50 kan de inverter een aanvullende foutcode geven. Noteer deze code en ga naar Inverter. Voer hier de foutcode in om de bijbehorende oorzaak en oplossing te bekijken.
Is er een invertercode beschikbaar?
🟩 JA → Zoek de code op onder Inverter en volg de bijbehorende diagnosestappen.
🟫 NEE → Niet iedere inverterstoring geeft een aanvullende foutcode.
5. Oplossing
Los eerst de oorzaak op die tijdens de diagnosestappen is vastgesteld. Reset storing 50 pas nadat de elektrische, mechanische, koeltechnische of configuratiefout is opgelost.
Herstelactie
Herstel de gevonden afwijking aan de voedingsspanning, communicatie, inverter, compressor, bekabeling of configuratie. Is er een aanvullende invertercode aanwezig? Zoek deze dan op onder Inverter en volg de bijbehorende oplossing.
Onderdelen vervangen
Vervang alleen het onderdeel waarvan tijdens de diagnose is vastgesteld dat het defect is. Voor storing 50 is geen onderdeel dat standaard vervangen moet worden.
Parameters aanpassen
Voor storing 50 zijn geen parameters die standaard aangepast moeten worden. Controleer het warmtepomp model alleen wanneer hier tijdens de diagnose aanleiding voor is.
⚠ Let op
Noteer vóór het resetten alle beschikbare invertercodes. Reset storing 50 pas nadat de oorzaak is gevonden en opgelost. Reset de storing niet herhaaldelijk zonder verder onderzoek.
Controle na herstel
☐ Start de warmtepomp opnieuw
☐ Controleer de voedingsspanning op de inverter
☐ Controleer bij een ED3-inverter of de status-LED brandt
☐ Controleer compressorfrequentie en opgenomen stroom
☐ Controleer de invertertemperatuur
☐ Controleer of de compressor normaal opstart en blijft draaien
☐ Controleer of storing 50 niet opnieuw optreedt
☐ Noteer een eventuele nieuwe invertercode
6. Bijzonderheden
Storing 50 betekent dat de inverter een storing heeft vastgesteld, maar geeft niet altijd direct de exacte oorzaak aan.
Bij sommige inverterstoringen wordt een aanvullende foutcode weergegeven. Ga hiervoor naar Inverter, voer de foutcode in en volg de bijbehorende diagnose en oplossing.
Niet iedere inverterstoring geeft een aanvullende foutcode.
In een inverter kunnen na uitschakelen nog gevaarlijke spanningen aanwezig zijn.
Voer geen isolatiemeting aan de compressor uit zolang deze nog met de inverter verbonden is.
Kom je er niet uit?
Blijft storing 50 terugkomen of is er geen duidelijke oorzaak gevonden? Schakel dan op naar Eplucon support.
Stuur altijd mee:
Serienummer en type warmtepomp
Softwareversie
Storing 50 en tijdstip van optreden
Eventuele aanvullende invertercode
Welke diagnosestappen zijn uitgevoerd en het resultaat
Compressorfrequentie en bedrijfsmodus op het moment van de storing
Alle genoteerde codes met datum/tijd, compressorfrequentie en bedrijfsmodus vóór het alarm
1. Betekenis van de storing
Wat betekent deze storing?
De inverter heeft een storing vastgesteld en de compressor uitgeschakeld of niet vrijgegeven. De inverter regelt onder andere de compressorfrequentie, de voedingsspanning naar de compressor, de compressorstart, de stroom door de compressor en de bewaking van elektrische en thermische bedrijfsgrenzen. Storing 50 geeft niet zelfstandig aan welk onderdeel defect is: de aanvullende invertercode in de alarmhistorie is nodig om de eigenlijke oorzaak vast te stellen.
Wanneer wordt hij gegenereerd?
Storing 50 kan ontstaan direct bij het inschakelen van de machine, bij het starten van de compressor, tijdens stabiel bedrijf of specifiek bij hoog compressorvermogen. De regeling toont bij het alarm aanvullende gegevens (I1 t/m I11 en P12). De betekenis van deze waarden verschilt per invertertype, compressor, warmtepompmodel en softwareversie.
2. Mogelijke oorzaken
Voedingsspanningsprobleem
Ontbrekende fase, onder- of overspanning, losse aansluitklemmen of een defecte zekering/automaat, vooral merkbaar bij het inschakelen of tijdens de compressorstart.
Communicatiestoring tussen regelaar en inverter
Kabelbreuk, beschadigde connectoren, vocht/corrosie, verkeerd communicatieadres of verkeerde configuratie.
Onvoldoende koeling van de inverter
Vervuilde ventilatieopeningen, defecte koelventilator of onvoldoende koelwater-/glycolflow, vaak bij warm weer of hoge compressorfrequentie.
Compressor elektrisch of mechanisch te zwaar belast
Hoge persdruk, lage zuigdruk, hoge persgastemperatuur of te hoge aanloopstroom, vaak samen met storing 40, 41, 42, 45 of 46.
Defecte compressor of compressorbekabeling
Beschadigde isolatie, kortsluiting tussen windingen, aardlek of mechanische blokkering van de compressor.
Losse of oververhitte elektrische aansluitingen onder belasting
Verkleurde of gesmolten connectoren, onvoldoende kabeldoorsnede, warmteontwikkeling in hoofdschakelaar of automaat.
Onjuiste inverterconfiguratie
Configuratie komt niet overeen met warmtepompmodel, compressorvermogen of softwareversie, bijvoorbeeld na vervanging van inverter of regelprint.
Intern hardwaredefect van de inverter
Interne inverterstoring die niet aan externe voeding, koeling of compressor is te herleiden.
3. Voorbereiding
Benodigd gereedschap
☐ Multimeter voor spannings- en stroommeting
☐ Isolatieweerstandmeter (megger), uitsluitend te gebruiken door een bevoegde monteur
☐ Camera of telefoon om het alarmscherm te fotograferen vóór reset
☐ Toegang tot het servicemenu (Alarm History / Alarm log)
☐ Persoonlijke beschermingsmiddelen
Veiligheid
⚠ Let op
In een inverter kunnen ook na het uitschakelen gevaarlijke spanningen aanwezig blijven. Open of meet de inverter uitsluitend volgens de voorgeschreven veiligheidsprocedure en laat elektrische werkzaamheden uitvoeren door een bevoegde monteur. Schakel de hoofdvoeding uit en volg de voorgeschreven wachttijd voordat je aan de inverteruitgang of compressor werkt. Voer geen isolatiemeting uit terwijl de compressor nog met de inverter verbonden is.
4. Diagnosestappen
Stap 1 — Alarmhistorie vastleggen
Ga naar Alarm History en open storing 50. Noteer of fotografeer de aanwezige waarden voordat je de storing reset.
Zijn alle invertercodes en gegevens genoteerd (of gefotografeerd) vóórdat je reset?
🟩 JA → Ga verder naar stap 2 (voedingsspanning).
🟫 NEE → Leg deze eerst vast.
Stap 2 — Voedingsspanning controleren
Meet de voedingsspanning op de ingang van de inverter en controleer of alle benodigde fasen aanwezig zijn.
Bij een ED3-inverter is bij aanwezige voeding een status-LED zichtbaar.
Is de voedingsspanning in rust, tijdens starten en tijdens bedrijf binnen de toegestane grenzen, met alle fasen aanwezig?
🟩 JA → Controleer bij een ED3 of de status-LED brandt. Ga daarna naar stap 3.
🟫 NEE → Controleer zekeringen, automaat, bekabeling en aansluitingen en herstel de voedingsspanning.
⚠ Let op
Is de voedingsspanning bij een ED3 correct, maar brandt de status-LED niet? Dan kan de inverter defect zijn.
Stap 3 — Communicatie met de inverter controleren
Controleer in het informatiemenu of actuele inverterwaarden worden weergegeven.
Zijn de inverterwaarden zichtbaar?
🟩 JA → Ga verder naar stap 4 (koeling).
🟫 NEE → Controleer de communicatiekabel, stekkers en voeding van de inverter.
Stap 4 — Temperatuur en koeling van de inverter controleren
Controleer de invertertemperatuur en controleer of de koeling van de inverter correct functioneert.
Servicemenu --> informatie --> Compressor 2
Is de invertertemperatuur normaal?
🟩 JA → Ga verder naar stap 5
🟫 NEE → Controleer en herstel de koeling van de inverter.
Stap 5 — Compressorbelasting controleren
Controleer of vlak vóór of gelijktijdig met storing 50 andere compressor- of koudemiddelstoringen zijn ontstaan, bijvoorbeeld storing 40, 41, 42, 45 of 46.
Zijn er geen andere relevante storingen actief?
🟩 JA → Ga verder naar stap 6 (compressor en bekabeling).
🟫 NEE → Los eerst deze storing op en controleer daarna opnieuw.
Stap 6 — Compressor en compressorbekabeling controleren
Schakel de hoofdvoeding uit en wacht de voorgeschreven tijd voordat je de compressor losneemt.
Controleer de compressorbekabeling en meet de wikkelings- en isolatieweerstand van de compressor.
Zijn de bekabeling en metingen in orde?
🟩 JA → Ga verder naar stap 7
🟫 NEE → Herstel de bekabeling of controleer de compressor verder.
⚠ Let op
Voer geen isolatiemeting uit terwijl de compressor nog op de inverter is aangesloten.
Stap 7 — Elektrische aansluitingen onder belasting controleren
Controleer de aansluitingen op losse klemmen, verkleuring, beschadiging of warmteontwikkeling.
Zijn alle aansluitingen in orde?
Blijven de aansluitingen ook onder belasting vrij van losse verbindingen, verkleuring of warmteontwikkeling?
🟩 JA → Ga verder naar stap 8 (inverterconfiguratie).
🟫 NEE → Herstel de aansluiting en draai deze vast met het voorgeschreven aanhaalmoment
Stap 8 — Inverterconfiguratie controleren
Controleer of de ingestelde warmtepompmodelovereenkomt met het type warmtepomp.
Is de configuratie correct?
🟩 JA → Ga verder naar stap 9
🟫 NEE →Corrigeer de configuratie volgens de gegevens van de betreffende machine.
Stap 9 — Invertercode beoordelen
Bij storing 50 kan de inverter een aanvullende foutcode geven. Noteer deze code en ga naar Inverter. Voer hier de foutcode in om de bijbehorende oorzaak en oplossing te bekijken.
Is er een invertercode beschikbaar?
🟩 JA → Zoek de code op onder Inverter en volg de bijbehorende diagnosestappen.
🟫 NEE → Niet iedere inverterstoring geeft een aanvullende foutcode.
5. Oplossing
Los eerst de oorzaak op die tijdens de diagnosestappen is vastgesteld. Reset storing 50 pas nadat de elektrische, mechanische, koeltechnische of configuratiefout is opgelost.
Herstelactie
Herstel de gevonden afwijking aan de voedingsspanning, communicatie, inverter, compressor, bekabeling of configuratie. Is er een aanvullende invertercode aanwezig? Zoek deze dan op onder Inverter en volg de bijbehorende oplossing.
Onderdelen vervangen
Vervang alleen het onderdeel waarvan tijdens de diagnose is vastgesteld dat het defect is. Voor storing 50 is geen onderdeel dat standaard vervangen moet worden.
Parameters aanpassen
Voor storing 50 zijn geen parameters die standaard aangepast moeten worden. Controleer het warmtepomp model alleen wanneer hier tijdens de diagnose aanleiding voor is.
⚠ Let op
Noteer vóór het resetten alle beschikbare invertercodes. Reset storing 50 pas nadat de oorzaak is gevonden en opgelost. Reset de storing niet herhaaldelijk zonder verder onderzoek.
Controle na herstel
☐ Start de warmtepomp opnieuw
☐ Controleer de voedingsspanning op de inverter
☐ Controleer bij een ED3-inverter of de status-LED brandt
☐ Controleer compressorfrequentie en opgenomen stroom
☐ Controleer de invertertemperatuur
☐ Controleer of de compressor normaal opstart en blijft draaien
☐ Controleer of storing 50 niet opnieuw optreedt
☐ Noteer een eventuele nieuwe invertercode
6. Bijzonderheden
Storing 50 betekent dat de inverter een storing heeft vastgesteld, maar geeft niet altijd direct de exacte oorzaak aan.
Bij sommige inverterstoringen wordt een aanvullende foutcode weergegeven. Ga hiervoor naar Inverter, voer de foutcode in en volg de bijbehorende diagnose en oplossing.
Niet iedere inverterstoring geeft een aanvullende foutcode.
In een inverter kunnen na uitschakelen nog gevaarlijke spanningen aanwezig zijn.
Voer geen isolatiemeting aan de compressor uit zolang deze nog met de inverter verbonden is.
Kom je er niet uit?
Blijft storing 50 terugkomen of is er geen duidelijke oorzaak gevonden? Schakel dan op naar Eplucon support.
Stuur altijd mee:
Serienummer en type warmtepomp
Softwareversie
Storing 50 en tijdstip van optreden
Eventuele aanvullende invertercode
Welke diagnosestappen zijn uitgevoerd en het resultaat
Compressorfrequentie en bedrijfsmodus op het moment van de storing
Alle genoteerde codes met datum/tijd, compressorfrequentie en bedrijfsmodus vóór het alarm
Het alarm kan afgaan wanneer de omvormer defect is, of wanneer de spanning niet goed is (te laag, te hoog, of met fluctuaties). Dit kan ook gebeuren als de kabel die de controller en de omvormer verbindt, beschadigd is, of als de omvormer niet correct is geconfigureerd.
Om de omvormer te configureren: zie onderstaande schema
Om de omvormer te configureren: zie onderstaande schema
volg bijgevoegd schema
volg bijgevoegd schema
volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Controleer de instellingen van de bron: Service menu > Configuration > Source config.
1 Controleer het expansieventiel op werking.
2 Controleer de bekabeling tussen de regelaar en het expansieventiel op kabelbreuken en losse stekkers.
2 Controleer de bekabeling tussen de regelaar en het expansieventiel op kabelbreuken en losse stekkers.
Controleer of er storingen zijn in de E-Source.
Controleer of de E-Source ingeschakeld is.
volg bijgevoegd schema
volg bijgevoegd schema
volg bijgevoegd schema
volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegd schema
Controleer de sensor die is aangesloten op AI12.
Controleer de sensor die is aangesloten op AI13.
Controleer de sensor die is aangesloten op AI14.
Controleer de sensor die is aangesloten op AI16.
Volg bijgevoegd stappenplan
Controleer de sensor die is aangesloten op AI12.
Controleer de sensor die is aangesloten op AI19.
Volg bijgevoegd schema
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Deze storing betekent dat een of meerdere warmtepompen in de cascade een storing hebben. Controleer op de warmtepomp die in storing staat welke foutmelding wordt weergegeven en vervolg de stappen op basis van die melding.
volg bijgevoegde stappenplan
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
1 Controleer of er spanning staat op de supervisor en de warmtepompen.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
1 Controleer of er spanning staat op de warmtepomp.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
1 Controleer of er spanning staat op de warmtepomp.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
1 Controleer of er spanning staat op de warmtepomp.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
1 Controleer of er spanning staat op de warmtepomp.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
1 Controleer of er spanning staat op de warmtepomp.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
1 Controleer of er spanning staat op de warmtepomp.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
2 Controleer of de buskabels (Plan) correct zijn aangesloten en of er geen losse contacten zijn.
De alarmmelding kan veroorzaakt worden door een losse draad of een defecte sensor.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
1 Controleer de instellingen van de legionella-service:
Oplossing: Zorg ervoor dat de legionella-service correct is geprogrammeerd en ingepland in het regelsysteem. Zie
bijgevoegd schema.
2 Controleer de warmwatertemperatuur: Zie bijgevoegd schema.
Oplossing: Controleer of de ingestelde temperatuur voor de legionella-service (meestal 60°C of hoger) is bereikt tijdens de
cyclus. Als de temperatuur te laag is ingesteld, kan de service niet correct worden uitgevoerd.
3 Controleer sensoren en kleppen:
Oplossing: Controleer of de temperatuursensoren en mengkleppen correct functioneren, aangezien defecten hierin ervoor
kunnen zorgen dat de legionella-service niet goed verloopt.
4 Controleer op storingen in het verwarmingssysteem:
Oplossing: Controleer of er andere storingen of meldingen zijn die de uitvoering van de legionella-service kunnen
verstoren, zoals storingen in de warmwatercircuits of sensoren.
5 Handmatige reset of herstart:
Oplossing: Als het probleem blijft bestaan, probeer de legionella-service handmatig opnieuw uit te voeren of reset de
warmtepomp en controleer of de cyclus daarna correct wordt voltooid.
Oplossing: Zorg ervoor dat de legionella-service correct is geprogrammeerd en ingepland in het regelsysteem. Zie
bijgevoegd schema.
2 Controleer de warmwatertemperatuur: Zie bijgevoegd schema.
Oplossing: Controleer of de ingestelde temperatuur voor de legionella-service (meestal 60°C of hoger) is bereikt tijdens de
cyclus. Als de temperatuur te laag is ingesteld, kan de service niet correct worden uitgevoerd.
3 Controleer sensoren en kleppen:
Oplossing: Controleer of de temperatuursensoren en mengkleppen correct functioneren, aangezien defecten hierin ervoor
kunnen zorgen dat de legionella-service niet goed verloopt.
4 Controleer op storingen in het verwarmingssysteem:
Oplossing: Controleer of er andere storingen of meldingen zijn die de uitvoering van de legionella-service kunnen
verstoren, zoals storingen in de warmwatercircuits of sensoren.
5 Handmatige reset of herstart:
Oplossing: Als het probleem blijft bestaan, probeer de legionella-service handmatig opnieuw uit te voeren of reset de
warmtepomp en controleer of de cyclus daarna correct wordt voltooid.
1Controleer de instellingen van de ontdooicyclus:
Oplossing: Zorg ervoor dat de ontdooicyclus correct is ingesteld in het regelsysteem. Foutieve instellingen kunnen ervoor
zorgen dat de ontdooiing niet goed plaatsvindt.
2 Controleer de temperatuursensoren:
Oplossing: Controleer of de temperatuursensoren die betrokken zijn bij de ontdooicyclus (vooral de buitensensor) goed
functioneren. Een defecte sensor kan de cyclus verstoren.
3 Controleer de ventilatoren:
Oplossing: Controleer of de ventilatoren van de buitenunit correct werken. Een defecte ventilator kan de ontdooicyclus
verstoren door een gebrek aan luchtcirculatie.
Oplossing: Zorg ervoor dat de ontdooicyclus correct is ingesteld in het regelsysteem. Foutieve instellingen kunnen ervoor
zorgen dat de ontdooiing niet goed plaatsvindt.
2 Controleer de temperatuursensoren:
Oplossing: Controleer of de temperatuursensoren die betrokken zijn bij de ontdooicyclus (vooral de buitensensor) goed
functioneren. Een defecte sensor kan de cyclus verstoren.
3 Controleer de ventilatoren:
Oplossing: Controleer of de ventilatoren van de buitenunit correct werken. Een defecte ventilator kan de ontdooicyclus
verstoren door een gebrek aan luchtcirculatie.
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Staan niet alle actieve groepen in dezelfde modus (koelen of verwarmen)? Oplossing: zet alle groepen in dezelfde modus.
Staan niet alle actieve groepen in dezelfde modus (koelen of verwarmen)? Oplossing: zet alle groepen in dezelfde modus.
Staan niet alle actieve groepen in dezelfde modus (koelen of verwarmen)? Oplossing: zet alle groepen in dezelfde modus.
Staan niet alle actieve groepen in dezelfde modus (koelen of verwarmen)? Oplossing: zet alle groepen in dezelfde modus.
Staan niet alle actieve groepen in dezelfde modus (koelen of verwarmen)? Oplossing: zet alle groepen in dezelfde modus.
volg bijgevoegd stappenplan
volg bijgevoegd stappenplan
volg bijgevoegd stappenplan
Druk van de bron- of buitenunit systeem = onder 0,5 bar.
Brine-systeem bijvullen.
Bij gebruik van een buitenunit: spoelen met spoelkar tot glycolbeveiliging van -30°C.
Let bij bodembron ook op de glycolwaarde.
Brine-systeem bijvullen.
Bij gebruik van een buitenunit: spoelen met spoelkar tot glycolbeveiliging van -30°C.
Let bij bodembron ook op de glycolwaarde.
Bijvullen van het vloerverwarmingsgedeelte = onder 0,5 bar.
CV-systeem bijvullen.
CV-systeem bijvullen.
De temperatuur van de wisselaar (verdamper) aan de brinekant is te koud.
1 Filter van het brine-systeem nazien.
2 Lucht in het brine-systeem spoelen.
3 Glycolwaarde controleren.
4 Circulatiepomp van de brine controleren op goede werking.
5 Probleem koelgaslekkage: Dit is te zien bij het opstarten van de compressor; in het menu “expansieklep” loopt de
oververhitting (SH-getal) hard op naar 25 of hoger.
1 Filter van het brine-systeem nazien.
2 Lucht in het brine-systeem spoelen.
3 Glycolwaarde controleren.
4 Circulatiepomp van de brine controleren op goede werking.
5 Probleem koelgaslekkage: Dit is te zien bij het opstarten van de compressor; in het menu “expansieklep” loopt de
oververhitting (SH-getal) hard op naar 25 of hoger.
Het temperatuurverschil tussen de verdamper en de brontemperaturen is te groot → te weinig flow over de brine.
1 Lucht in het brine-systeem spoelen.
2 Filter van het brine-systeem nazien.
3 Glycolwaarde controleren i.v.m. eventuele invriezing.
4 Controleer of de brine-sensoren een correcte waarde aangeven.
(Service → Configuratie → Voelerconfiguratie)
1 Lucht in het brine-systeem spoelen.
2 Filter van het brine-systeem nazien.
3 Glycolwaarde controleren i.v.m. eventuele invriezing.
4 Controleer of de brine-sensoren een correcte waarde aangeven.
(Service → Configuratie → Voelerconfiguratie)
Warmtepomp kan zijn warmte niet kwijt.
1 Lucht in het CV-systeem ontluchten.
2 Filter van het brine-systeem nazien.
3 Geen flow in het verwarmingssysteem; controleer afgifte (naregelingen, kleppen, etc.). Eventueel mogelijk om
inschakelvertraging toe te passen in het servicemenu.
4 Circulatiepomp van het CV controleren op goede werking.
5 Boilersensor controleren; wanneer deze geen goede waarde meet, blijft de warmtepomp draaien en geeft hij een
storing.
1 Lucht in het CV-systeem ontluchten.
2 Filter van het brine-systeem nazien.
3 Geen flow in het verwarmingssysteem; controleer afgifte (naregelingen, kleppen, etc.). Eventueel mogelijk om
inschakelvertraging toe te passen in het servicemenu.
4 Circulatiepomp van het CV controleren op goede werking.
5 Boilersensor controleren; wanneer deze geen goede waarde meet, blijft de warmtepomp draaien en geeft hij een
storing.
Communicatie tussen de elektronica en de inverter is niet in orde.
1 Controleer de voeding van de inverter (Drive Supply). Controleer bij een 3-fase warmtepomp alle fasen!
2 Controleer de bedrading van de communicatie.
1 Controleer de voeding van de inverter (Drive Supply). Controleer bij een 3-fase warmtepomp alle fasen!
2 Controleer de bedrading van de communicatie.
1 De warmtepomp is verkeerd geconfigureerd; let hierbij op de SG-groepen.
2 Bij het toepassen van een hulpsysteem (bijvoorbeeld bivalent) moeten de vereiste sensoren worden aangesloten.
2 Bij het toepassen van een hulpsysteem (bijvoorbeeld bivalent) moeten de vereiste sensoren worden aangesloten.
1. Gebruikt u een th-tune thermostaat? Zie onderstaande foto van deze thermostaat. Wanneer de thermostaat niet wordt toegepast en de warmtepomp wel deze foutmelding geeft, is er een configuratie fout.
Ga naar installateursmenu warmtepomp --> Configuratie -->Services-->Verwarming--> Bus room terminals--> Deactiveer de th-tune.
2. Wanneer wel de th-tune wordt toegepast: Controleer de bekabeling van de thermostaat.
3. Wanneer wel de th-tune wordt toegepast: De adressering in de TH Tune is onjuist. Houd de twee rechterknoppen (ventilator en on/off) op de TH Tune ingedrukt. Voer vervolgens de code '022' in. Daarna verschijnt de adressering (bijvoorbeeld 01), welke moet overeenkomen met het adres in de warmtepomp onder het service menu>verwarming>heating bus terminal.
Ga naar installateursmenu warmtepomp --> Configuratie -->Services-->Verwarming--> Bus room terminals--> Deactiveer de th-tune.
2. Wanneer wel de th-tune wordt toegepast: Controleer de bekabeling van de thermostaat.
3. Wanneer wel de th-tune wordt toegepast: De adressering in de TH Tune is onjuist. Houd de twee rechterknoppen (ventilator en on/off) op de TH Tune ingedrukt. Voer vervolgens de code '022' in. Daarna verschijnt de adressering (bijvoorbeeld 01), welke moet overeenkomen met het adres in de warmtepomp onder het service menu>verwarming>heating bus terminal.
Warmtepomp geeft datum en
tijd niet goed weer.
Vervang PCOOEM+(HS)
tijd niet goed weer.
Vervang PCOOEM+(HS)
De brontemperatuur komt onder de ingestelde beveiligingswaarde.
1 Controleer de ingestelde beveiliging.
2 Controleer het brine-systeem op flow.
3 Controleer de werking van de ventilator bij de buitenunit.
1 Controleer de ingestelde beveiliging.
2 Controleer het brine-systeem op flow.
3 Controleer de werking van de ventilator bij de buitenunit.
De onderdelen die worden aangestuurd (230 V AC/400 V AC) vanuit de elektronica zijn de pompen en de kleppen van de passieve koeling en het warme water. Het is het makkelijkste om de voeding van deze onderdelen los te koppelen en de warmtepomp opnieuw op te starten. Sluit vervolgens één voor één de kleppen en pompen weer aan totdat de aardlekautomaat weer uitschakelt. Op die manier weet je welk onderdeel de storing veroorzaakt. Vervang vervolgens dit defecte onderdeel.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Volg bijgevoegde stappenplan.
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Neem contact op met Eplucon, u kunt bellen naar 0341-371030
Volg onderstaand schema
De oplossingen voor probleem zijn uitgewerkt in onderstaande video.
**Verwarmingsmodus:**
- Als de watertemperatuur 30°C of hoger is, zal de ventilator draaien.
- Als de watertemperatuur onder de 25°C daalt, zal de ventilator stoppen.
**Koelmodus:**
-De ventilator zal aanvankelijk draaien. - Als de watertemperatuur boven de 20°C komt en meer dan 30 opeenvolgende minuten boven die drempel blijft, zal de ventilator stoppen.
**Samenvatting**
1. **Verwarmingsmodus:**
-Ventilator aan als watertemperatuur ≥ 30°C
-Ventilator uit als watertemperatuur < 25°C
2. **Koelmodus:**
-Ventilator aanvankelijk aan
-Ventilator uit als watertemperatuur > 20°C gedurende meer dan 30 opeenvolgende minuten
- Als de watertemperatuur 30°C of hoger is, zal de ventilator draaien.
- Als de watertemperatuur onder de 25°C daalt, zal de ventilator stoppen.
**Koelmodus:**
-De ventilator zal aanvankelijk draaien. - Als de watertemperatuur boven de 20°C komt en meer dan 30 opeenvolgende minuten boven die drempel blijft, zal de ventilator stoppen.
**Samenvatting**
1. **Verwarmingsmodus:**
-Ventilator aan als watertemperatuur ≥ 30°C
-Ventilator uit als watertemperatuur < 25°C
2. **Koelmodus:**
-Ventilator aanvankelijk aan
-Ventilator uit als watertemperatuur > 20°C gedurende meer dan 30 opeenvolgende minuten